Het is een terugkerende klacht in de groene sector: de plantenkennis zou afnemen, jonge professionals weten te weinig van sortiment en beheer, en ontwerpers tekenen plannen die wel mooi ogen, maar minder goed uitvoerbaar zijn. Maar wie een middag meeluistert met drie docenten van Hogeschool Van Hall Larenstein (HVHL) hoort een ander verhaal. Gerrit-Jan Smits, Jack Martin en Jurgen Hulst zien juist een groeiende, gedreven lichting hbo-studenten; én een vakgebied dat in hoog tempo volwassener en complexer wordt.

Gerrit-Jan Smits, docent sortiment, beplanting en beheer, reageert direct wanneer het ‘uitgeholde plantenkennis’-beeld ter sprake komt. “Dat onderschrijf ik niet,” zegt hij. “Elke T&L-student krijgt hier twee jaar lang verplichte plantenkennis: herkennen, kennen, toepassen. Dat is intensief onderwijs. En wie verder wil, kan zich in jaar drie en vier extra verdiepen in beplanting. Overigens zien we ook dat instromers vanuit het groene MBO over het algemeen veel minder plantenkennis hebben dan 20 jaar geleden. Tegelijkertijd zien we dat waar de groene MBO’er vroeger een groot voordeel had ten opzichte van de instroom uit Havo/VWO, dat nu niet meer zo is. En het verschilt per groene MBO hoeveel plantenkennis daar wordt gegeven.”
Volgens collega Jack Martin – bijna veertig jaar verbonden aan HVHL – is de klacht van alle tijden. “Toen ik hier startte, hoorde ik dezelfde geluiden. In de praktijk denkt men vaak dat ‘vroeger alles beter was’. Maar onze studenten kennen aantoonbaar meer dan de lichtingen van twintig jaar geleden. En wanneer onze studenten die de minor Stedelijke Beplanting volgen op excursie gaan, staan begeleiders vaak versteld van hun kennis.”
Wat wél verandert, is de manier waarop studenten die kennis moeten verwerven. Jurgen Hulst: “Veel studenten moeten opnieuw leren leren: herhalen, blokken, volhouden. Daar begeleiden we ze nadrukkelijk bij. Hoe leer je planten? Hoe herken je echt essentiële details? Dat blijkt soms ingewikkelder dan veel mensen denken.”

Opvallend genoeg ervaart HVHL geen instroomproblemen. Integendeel: waar de totale jongerenpopulatie krimpt, steeg het aantal eerstejaars dit studiejaar van gemiddeld 90 naar 112. Studenten komen bewust, zegt Smits. “Ze willen bijdragen aan een gezondere leefomgeving, aan biodiversiteit, aan klimaatadaptatie. Dat idealisme is sterk aanwezig.”
Dat geldt nog meer voor deeltijders, vertelt Hulst. “Deeltijdstudenten zeggen expliciet: ik wil verschil maken. Sommigen komen uit banen waarin ze weinig betekenis ervoeren. Hier zien ze dat hun werk direct impact heeft.”
Sociale media spelen daarbij een dubbele rol. Ja, studenten worden gelokt door gelikte ontwerpen op Instagram, zegt Hulst lachend. “Maar wij moeten ze wel leren dat een mooi beeld niet hetzelfde is als een goed ontwerp. Een tuin die er op een render fantastisch uitziet, kan in de praktijk totaal niet functioneren. We leren studenten om voorbij het plaatje te kijken.”
Dat plantenkennis essentieel blijft, is volgens de docenten vooral zichtbaar in het veranderende sortiment. Hulst: “Soorten die vijf jaar geleden gelden als droogtetolerant, bleken na extreme zomers toch kwetsbaar. En na enkele natte jaren realiseren we ons dat klimaatbestendig óók betekent: langdurig nat kunnen verdragen. Het sortiment schuift continu.”
HVHL houdt dat actief bij. Smits: “We actualiseren onze sortimentlijsten voortdurend. We volgen kwekers nauwgezet, bezoeken veel bedrijven en toetsen planten in onze eigen sortimentstuin. Studenten leren seizoensgewijs: ze beginnen met 95 planten als binnenkomer in de eerste lesperiode. Na het eerste jaar kennen de studenten circa 400 cultuurplanten (bestaande uit onder andere bomen, heesters, klimplanten, vaste planten, siergrassen en bollen) en circa 125 wilde planten.”
Martin vult aan: “We hebben het voordeel dat we midden in een rijk landgoed zitten. 70 procent van de Nederlandse flora is hier te vinden. Dat is uniek in Europa. Veel opleidingsinstituten hebben geen eigen tuin. Studenten leren planten daar vooral uit boeken.”

Waar komt de HVHL-student uiteindelijk terecht? Overal, zegt Smits. “Gemeenten, adviesbureaus, aannemers, Rijksvastgoed, landschapsarchitectenbureaus. En opvallend veel alumni starten als zzp’er of in coöperatieve verbanden.”
Dat de beheerwereld verandert, merken ze in het onderwijs. Gemeenten zoals Amsterdam nemen steeds vaker eigen groenprofessionals in dienst, na jaren van uitbesteden. “Dat is logisch,” zegt Martin. “Wie tien jaar op dezelfde plek werkt, kent de beplanting door en door. Je bouwt tijdskennis op. Dat kun je niet kopen in een bestek van drie jaar.”
Maar: studenten moeten ook kunnen ontwerpen voor situaties waarin het beheer níet in handen ligt van vakmensen. Hulst: “We leren ze rekening te houden met plekken die worden onderhouden door mensen zonder opleiding in het groen, zoals mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt of uitzendkrachten. Dat vraagt andere ontwerpkeuzes. Niet omdat wij dat ideaal vinden, maar omdat de realiteit zo is.”
Over de toekomst zijn de docenten voorzichtig optimistisch. De maatschappelijke waardering voor groen groeit. Groen schuift steeds eerder aan bij ruimtelijke opgaven. Maar het vak wordt ook complexer. Martin: “Je werkt niet meer achter een tekentafel. Je werkt met bewoners, verkeerskundigen, hulpdiensten, ecologen, vastgoedpartijen. Het vraagt communicatieve vaardigheden die we vroeger niet hoefden te trainen.”
Hulst ziet vooral één grote opdracht: studenten leren omgaan met verandering. “We weten simpelweg niet hoe onze steden er over twintig jaar bij liggen. Wordt landbouwgrond natuur? Wordt de privétuin een gemeenschappelijke tuin? Worden hitte-eilanden nog extremer? We kunnen studenten geen vast recept geven. We kunnen ze wel leren kritisch te denken, kennis op te bouwen, een visie te ontwikkelen, en flexibel te blijven. Dat is misschien wel de kerncompetentie van de groene professional van de toekomst.”