Op de Tweemolentjeskade in Delft waait een frisse bouwplaatswind langs balkons waar straks bomen groeien. Nog even is het betonstof en houtgeur, maar tussen de steigers tekent zich al iets af wat verder gaat dan woningbouw. Hier wordt een idee getest. Of misschien beter: een hypothese. We lopen met ontwikkelaar René de Man en architect Tim Vermeend door hun eerste project van The Urban Woods. Tien lagen hoog, volledig in hout, met op elke verdieping een poging tot natuur. Nog geen sluitend verhaal, benadrukken ze zelf, maar een zoektocht.

De Man staat stil bij de entree en kijkt even omhoog. “Ik zat jarenlang in de ontwikkeling van vijfsterrenhotels. Op een gegeven moment dacht ik: wat zijn we nou eigenlijk aan het doen?”
Het is een zeldzaam eerlijk startpunt. Geen greenwashing achteraf, maar een fundamentele draai. Samen met Vermeend en Sebastian Monteban, die al met houtbouw experimenteerden, ontstond in 2021 Urban Woods. Met drie duidelijke ambities: duurzaam bouwen, betaalbaar wonen en gebouwen maken die ook ecologisch ergens bij horen.
“Duurzaamheid betekent voor ons niet alleen energie of materiaal,” zegt De Man. “Het gaat ook over hoe een gebouw past in de omgeving. En dan niet alleen de stedelijke, maar juist ook de ecologische.”


We lopen het gebouw in, langs prefab badkamers en houten kolommen. Alles voelt nog ruw, maar tegelijk doordacht. Het casco is volledig van hout, inclusief de kern. “Op dit moment zijn we het hoogste volledig houten woongebouw van Nederland,” zegt De Man, bijna terloops. Buiten, op een van de balkons, wordt duidelijk waar het echt om draait. Daar staan ze: de zogenoemde Jungleblocks. Kunststof bakken, 3D-geprint van gerecycled materiaal, gevuld met substraat, waterbuffering en – uiteindelijk – bomen. “Het probleem met groen op hoogte is altijd gewicht,” legt De Man uit. “We moesten onder de 250 kilo per vierkante meter blijven, anders wordt je constructie meteen zwaarder en dus minder duurzaam.” De oplossing is even simpel als slim: het balkon wordt onderdeel van het systeem. Geen extra constructie, geen zware staalframes. “We hebben het gewicht eigenlijk gewoon verdeeld over wat er al is.”
Vermeend pakt het verhaal verder op. Samen met Sebastian Monteban richtte hij The Urban Woods op. Hij wijst naar de omgeving, over de aanpalkende snelweg, richting Delftse Hout. “We zijn begonnen met de vraag: hoe laat je een plek beter achter dan je ’m aantrof?” Daarvoor werd eerst onderzocht wat er al leeft. Welke vogels, welke planten, welke insecten. Geen standaardlijstje met nestkasten, maar een analyse van het ecosysteem. “Het leuke is dat we straks een ‘menu voor de wijkvogels’ uitdelen,” zegt Vermeend. “Zodat bewoners ook planten kiezen die echt iets toevoegen.”
Het klinkt bijna lichtvoetig, maar de onderliggende boodschap is serieus: natuurinclusief bouwen begint niet bij het gebouw, maar bij de plek. Toch blijft er twijfel. “Is dit de oplossing? Dat weet ik eigenlijk niet,” zegt Vermeend terwijl hij over de rand van een balkon kijkt. “Het liefst zet je natuurlijk gewoon een boom in de grond. Maar dat kan hier niet.” Hij noemt het een balans. Tussen CO2-opslag in hout en biodiversiteit. Tussen woningdichtheid en groen. Tussen ambitie en realiteit. “We hebben nu een manier gevonden. Maar het is niet de heilige graal. Het is een stap.” Die eerlijkheid maakt het project interessant. Geen perfect plaatje, maar een werkend prototype.

Boven op het dak van het gebouw wordt de spanning tastbaar. Zonnepanelen, daktuin, retentie, techniek: alles vecht om dezelfde vierkante meters. “Je kunt een dak maar één keer gebruiken,” zegt De Man. “En iedereen wil er iets op. PV, groen, waterberging. Alles is belangrijk.”
Het is precies die stapeling van eisen waar veel projecten op vastlopen. Hier is het zichtbaar gemaakt. Niet opgelost, maar wel expliciet. Een verdieping lager komt een ander vraagstuk naar boven. Onderhoud. “Van wie is dat groen straks eigenlijk?” vraagt Vermeend hardop. “Van de bewoner? Van de VvE? Of van ons?”
Het is een praktische vraag, maar met grote gevolgen. Want zonder onderhoud verdwijnt elk ecosysteem, hoe slim ontworpen ook. En in een huurgebouw heb je die regie niet vanzelf. Wat The Urban Woods hier bouwt, is geen eenmalig experiment. Het moet een systeem worden. Een bouwdoos, zoals De Man het noemt. Na Delft volgen Deventer, Amsterdam, Zwolle en Groningen. “We willen niet elke keer opnieuw beginnen,” zegt hij. “De basis blijft hetzelfde. En per project verbeteren we de details.”
Daarvoor is monitoring cruciaal. Gaan er daadwerkelijk vogels nestelen? Werkt het microklimaat? Wordt het binnen koeler? “We willen echt weten of het klopt wat we hebben bedacht.”

Ondertussen moet het ook gewoon rendabel zijn. En dat is het, benadrukt De Man. “We maken hier geen verlies op. En dat betekent dat het dus kan.” Maar opschalen vraagt investeerders. Pensioenfondsen, bijvoorbeeld. Met één belangrijke voorwaarde: de regie blijft bij Urban Woods. “Wil je impact maken per gebouw, of juist door schaal?” vraagt De Man zich hardop af. Het antwoord ligt nog open. Aan het einde van de rondgang staan we weer buiten. De wind trekt langs de gevel, waar straks bladeren ritselen. Wat hier in Delft staat, is geen eindpunt. Het is een tussenstap. Een gebouw dat vragen stelt in plaats van antwoorden geeft. Hoe ver kun je gaan met gebouwgebonden groen? Wat is de echte waarde van biodiversiteit op hoogte? En hoeveel complexiteit kan een gebouw eigenlijk aan? Urban Woods probeert het uit. Balkon voor balkon. Boom voor boom. En misschien is dat precies wat deze tijd nodig heeft: minder zekerheden, meer uitproberen.