De aandacht voor groen en biodiversiteit in de stad is de afgelopen jaren sterk gegroeid. Gemeenten maken beleid, ontwikkelaars spreken over natuurinclusief bouwen en in steden verschijnen plannen waarin bomen, bloemrijke vegetatie en waterberging een prominente plek krijgen. Toch is de praktijk weerbarstig. Want beleid is nog geen plantvak. Een render is nog geen ecosysteem. En biodiversiteit ontstaat niet door aan het eind van een project nog snel een nestkast op te hangen.


Dat is de rode draad in het gesprek met Joeri Meliefste, Expert Stedelijke Vergroening bij Sweco, en zijn collega Gijs Meijer, ecoloog en specialist biodiversiteit en natuurinclusief ontwerp. Beiden zien dat het onderwerp serieuzer wordt genomen. Tegelijkertijd vinden ze dat het tempo omhoog moet. “Op zich gaat het de goede kant op”, zegt Meijer. “Maar aan de andere kant denk ik ook: schiet nou eens op. We weten dat het belangrijk is en hoe het moet, maar het komt nog niet echt volledig tot uiting in de praktijk.”
Volgens Meijer zit Nederland in een tussenfase. De ambities zijn er, maar botsen zodra ze concreet moeten worden met andere beleidsvelden. Woningbouw, parkeren, kabels en leidingen, beheerbudgetten en politieke keuzes drukken op dezelfde vierkante meters. “Gemeenten stellen beleid vast voor groen en biodiversiteit, maar dat botst vaak met regels voor parkeren, infra, wonen, energieopwekking, materialengebruik, politiekeur en andere zaken. Alles is naast elkaar vastgesteld, maar als je het ter plekke moet combineren, kom je in de knel.”

Meliefste herkent dat beeld. Hij ziet koplopers die anders ontwerpen, inrichten en beheren. Maar biodiversiteit heeft nog niet dezelfde bestuurlijke kracht als klimaatadaptatie. Voor klimaatadaptatie zijn stresstesten, risicodialogen en programma’s ontwikkeld. Er is Rijkssturing, er zijn mensen voor aangenomen en er is geld. Voor biodiversiteit is dat minder vanzelfsprekend.
“Daar zit niet zoveel geld en druk achter als bij klimaatadaptatie”, zegt Meliefste. De Europese natuurherstelverordening kan volgens hem verandering brengen, omdat die overheden dwingt om groen te behouden en natuurherstel serieuzer te organiseren.
Meliefste staat bekend om zijn pleidooi tegen “zinloze verharding”: ongebruikte bestrating die zonder veel functieverlies kan worden vervangen door groen. Met een door Sweco ontwikkelde tool hielp hij inmiddels tientallen gemeenten om zulke plekken in beeld te brengen. “In iedere gemeente ligt verharding die niet gebruikt wordt. Daar kun je heel makkelijk waardevol groen van maken.”
Toch is meer groen niet automatisch meer biodiversiteit. Veel steden ogen groen, maar zijn ecologisch arm. Grote gazons worden intensief gemaaid. Bomen zijn vaak hoog opgekroond en bestaan uit dezelfde soorten. De struiklaag en kruidenlaag zijn op veel plekken verdwenen.
“De hele gelaagdheid is eruit gesloopt”, zegt Meliefste. “Vanwege bezuinigingen, sociale veiligheid en allerlei andere redenen. Terwijl juist die struiken- en kruidenlaag zo interessant is voor de natuur en uiteindelijk ook voor de mens.” Intensief gazonmaaien noemt hij vanuit biodiversiteit bezien “totaal onzinnig”. Bovendien is het volgens hem niet vanzelfsprekend goedkoper. “De grap is dat intensief maaien vaak juist duurder is.”
Bij nieuwbouwprojecten zijn de ambities aan de voorkant vaak hoog. Op beelden en in plannen lijkt groen vanzelfsprekend. Maar zodra grond uitgeefbaar moet worden, parkeerplaatsen nodig zijn en beheerafdelingen aan tafel komen, wordt de ruimte kleiner. “Bij nieuwbouw heb je de kans om het goed te doen”, zegt Meliefste. “Maar wat er uiteindelijk buiten gerealiseerd wordt aan nieuw groen, dat is soms verdrietig.”
Groen wordt nog te vaak gezien als kostenpost, niet als waardetoevoeger. Dat terwijl de maatschappelijke baten breed zijn: verkoeling, waterberging, gezondheid, leefkwaliteit, vastgoedwaarde en biodiversiteit. Het probleem is dat die baten niet altijd terechtkomen bij de partij die investeert. “De baten landen in de maatschappij en niet direct bij de gemeente of ontwikkelaar die betaalt.”
Dat geldt zeker voor bomen. Een boom levert ecologisch en klimatologisch pas echt waarde als hij groot kan worden. “Uiteindelijk wil je bomen van zestig, tachtig of honderd jaar. Hoe groter, hoe beter.” Te vaak worden bomen echter in smalle verhardingsstroken geperst, tussen kabels, leidingen en parkeerplaatsen. Dan krijgen ze onvoldoende wortelruimte, water en zuurstof. “Het is eigenlijk een wonder dat ze groeien”, zegt Meijer.
Een ander knelpunt is beheer. Ecologisch groen vraagt niet per se om méér beheer, maar wel om ander beheer. Gefaseerd maaien, maatwerk, kennis van vegetatieontwikkeling en geduld zijn belangrijk.
Dat botst met beheerorganisaties die jarenlang zijn afgerekend op efficiëntie, beeldkwaliteit en kostenverlaging.
Meijer vindt dat beheerders veel eerder in het ontwerpproces moeten worden betrokken. “Als er een ander type groen bijkomt en we willen meer natuur, dan hoort daar ook een bepaald budget bij.” Zonder extra beheerbudget is het logisch dat beheerders terughoudend zijn. Ze krijgen meer en complexer groen, maar niet de middelen om dat goed te beheren.
Meliefste ziet hetzelfde bij gemeenten. “Er wordt geld geregeld om extra groen aan te leggen. Maar men vergeet dat extra groen ook beheerd moet worden. Je moet dus ook je beheerbudget verhogen en dat gebeurt vaak niet.”
Een terugkerende discussie in de groensector is de verhouding tussen inheemse en uitheemse soorten. Meijer is daar duidelijk over. “Vanuit de ecologie is er geen enkele twijfel dat inheems de basis is voor biodiversiteit, ook in de stad.” Dat betekent volgens hem niet dat alles inheems moet zijn. Zeker bij bomen in stenige stadssituaties zijn uitheemse soorten nodig, bijvoorbeeld omdat ze beter bestand zijn tegen hitte, droogte, verharding en zout.
Maar bij struiken en kruiden ziet Meijer minder reden om standaard naar uitheems te grijpen. Veel insecten zijn in grote mate of geheel afhankelijk van inheemse (waard)planten. Volwassen vlinders kunnen nectar vinden op allerlei planten, maar het gros van hun rupsen groeien alleen op specifieke inheemse soorten. En veel bestuivers kunnen alleen hun nectar en stuifmeel halen uit bloemen die hier van nature voorkomen.
Meliefste voegt daar een ander punt aan toe: variatie. Uniforme lanen met één boomsoort zijn kwetsbaar voor ziekten, plagen en klimaatstress. “We zetten graag dezelfde soort in een rijtje, maar dat is een ontwerpersreflex. De structuur van een laan zit volgens mij veel meer in de lijn en de repeterende afstand tussen de bomen dan in exact hetzelfde blad.”
Om groen en biodiversiteit uit de sfeer van vrijblijvendheid te halen, pleiten beide Sweco-experts voor duidelijkere normen. Meijer ziet in lokale meetlatten en natuurpuntensystemen een manier om biodiversiteit onderdeel te maken van ruimtelijke ontwikkeling. Niet omdat hij vindt dat Nederland nog meer regels nodig heeft, maar omdat onderwerpen zonder norm of verplichting vaak het onderspit delven. “In regelland Nederland werkt het niet als je niet ook regels hebt voor groen, dan komt het er dus gewoon niet.”
Meliefste pleit voor een landelijke groennorm, vergelijkbaar met de parkeernorm. Die moet niet overal hetzelfde percentage voorschrijven, maar lokaal worden vertaald per buurt of gebiedstype. Daarbij moet de norm verder kijken dan kroonbedekking alleen. “Je wilt niet alleen bomen, je wilt juist gelaagdheid. Bestuivers zitten helemaal niet te wachten op alleen bomen. En soortenrijkdom zegt ook niet alles. Het gaat om de werking van het systeem.”
Zijn vraag is eenvoudig en politiek gevoelig tegelijk: “We hebben in Nederland overal een parkeernorm en vinden dat normaal. Waarom dan geen groennorm?”