Een boom moet tegenwoordig nogal wat. Verkoelen, water vasthouden, CO₂ opslaan, biodiversiteit vergroten en liefst ook nog decennialang gezond blijven in een steeds grilliger klimaat. Maar wie bepaalt welke boom waar terechtkomt? En wat betekent dat voor de rol van de kweker? Tijdens GrootGroenPlus schoof GreenPro met vier specialisten aan voor een rondetafelgesprek. Hun conclusie: de toekomst begint veel eerder dan bij het plantgat.

De een zweert bij de oer-Hollandse linde. De ander kiest juist voor de imposante mammoetboom als symbool voor weerbaarheid. En ergens aan tafel valt al snel het woord autochtoon. Of eigenlijk: de waarschuwing dat autochtoon, of inheems, inmiddels bijna een toverwoord is geworden.
Het tekent de breedte van de discussie tijdens de GreenPro-rondetafel op GrootGroenPlus. Aan tafel zitten Thomas de Ruiter van Overbeek Bomen, Didier Hermans van Herplant, Henk Huijsman van Laxsjon Plants en Bart van der Veen, Sales Director bij DCM Nederland. Vier verschillende achtergronden, maar één gedeelde constatering: dé klimaatboom bestaat niet.
Een boom wordt namelijk pas een klimaatoplossing wanneer veel meer klopt dan alleen de soortkeuze. De groeiplaats moet goed zijn, de bodem geschikt, er moet voldoende doorwortelbare ruimte zijn en na aanplant begint het werk pas echt.

“Je moet kijken naar het substraat, de doorwortelbare ruimte, bovengrondse groeiruimte de soort én de nazorg”, zegt De Ruiter. Hij wijst erop dat een boom bij het rooien op de kwekerij altijd een deel van zijn wortels achterlaat. Daar moet bij de aanplant rekening mee worden gehouden. Met aanplant-snoei bijvoorbeeld, maar vooral met water. “Die nazorg is eigenlijk het allerbelangrijkste. Krijgt die boom geen water, dan gaat hij sowieso niet groeien.”
En juist daar gaat het nog geregeld mis. Acht weken droogte, honderd liter water in een zandbodem en twee dagen later is het grotendeels verdwenen. Ondertussen worden jonge bomen geplant op plekken waar de omstandigheden steeds extremer worden: tussen asfalt, gevels, kabels, leidingen en verharding.
Van der Veen vergelijkt het met bouwen. Wie een huis neerzet, begint ook niet bij het dak. “Het fundament moet kloppen. Bij een boom is dat precies hetzelfde. Die boom moet daar lange tijd meerwaarde gaan leveren.”
Dat klinkt logisch. De praktijk is weerbarstiger. Volgens De Ruiter vraagt het Handboek Bomen voor een boom van de eerste grootte grofweg één kubieke meter doorwortelbare ruimte per gewenst levensjaar. Een boom die zestig jaar mee moet, vraagt dus een serieuze groeiplaats. “De grootste kostenpost is tegenwoordig niet eens de boom. Dat is de plantplaats.”
Juist daarom is besparen op de boom zelf soms een vreemde reflex. Een paar honderd euro verschil op plantmateriaal valt in het niet bij de kosten van grondwerk, inrichting, beheer en eventuele vervanging.

Dan de hamvraag: welke boom planten we? Daar wordt het gesprek meteen lastiger. Klimaatverandering betekent immers niet alleen langere droge perioden. Natte winters, piekbuien en hoge temperaturen wisselen elkaar af. Een soort die uitstekend tegen droogte kan, kan bij langdurig natte voeten alsnog afhaken.
Daar komt de discussie over inheems en autochtoon bovenop. Huijsman is met Laxsjon Plants sterk actief in autochtoon plantmateriaal en oogst daarvoor ook zaad van specifieke herkomsten. Toch waarschuwt juist hij voor dogmatiek. “Autochtoon is nu een beetje een toverwoord. Maar autochtoon wil niet per se zeggen dat het beter is.”
De vraag is immers welk uitgangsmateriaal bestand is tegen het klimaat van straks. De Ruiter werpt een interessante gedachte op: wanneer het Nederlandse klimaat steeds meer gaat lijken op dat van Parijs van twintig jaar geleden, moet je dan niet ook naar herkomsten uit die regio kijken?
Hermans ziet hetzelfde spanningsveld. Klimaat, soorten en populaties hebben nooit stilgestaan. “Er zijn soorten en herkomsten die veel beter bestand zijn tegen droogte. Daar moeten we wel naar durven kijken.”
Daarmee verdwijnen inheemse soorten bepaald niet uit beeld. Wel wordt het palet breder. Zuidelijker herkomsten, cultivars, resistente selecties en soms zelfs exoten kunnen een rol spelen. Tegelijkertijd waarschuwt Huijsman ervoor om niet zomaar iedere exotische soort in een natuurplan te stoppen.
Het sleutelwoord wordt diversiteit. Geen zestig identieke bomen in één straat, maar verschillende soorten met vergelijkbare eindhoogtes en functies. Dat vergroot de biodiversiteit en voorkomt bovendien dat een nieuwe ziekte of plaag in één klap een complete laan wegvaagt. De essentaksterfte heeft volgens De Ruiter duidelijk gemaakt hoe kwetsbaar monoculturen kunnen zijn.
Voor kwekers brengt die veranderende vraag een lastig dilemma mee. Een opdrachtgever kan vandaag besluiten dat hij over enkele jaren duizenden bomen van een bepaalde soort wil. De kweker moet die keuze veel eerder maken. “Wij weten helemaal niet wat ze over vijftien jaar willen”, zegt Huijsman. “Je werkt met een beetje fingerspitzengefühl.”
Hij noemt de eik als voorbeeld. Rond de problemen met de eikenprocessierups nam de vraag af en besloten kwekers minder eiken op te zetten. Inmiddels trekt de markt weer aan en blijken bepaalde maten nauwelijks beschikbaar.
Het risico ligt vrijwel volledig bij de kweker. Zaaien, opkweken en bomen verschillende keren verplanten kost jaren. Structurele productieafspraken met overheden zijn nog zeldzaam.
Dat wringt, zeker nu overheden ambitieuze plannen maken voor extra bos, meer kroonbedekking en natuurinclusieve gebiedsontwikkeling. De ambities staan op papier sneller dan het benodigde plantmateriaal op het veld.
Misschien moet daarom ook de vraag veranderen. Minder voorschrijven: wij willen soort X in maat Y. Meer formuleren: dit is de plek, dit is de bodem en dit moet het groen hier over dertig jaar doen.
“Vraag om het eindbeeld”, klinkt het aan tafel. Laat kwekers, ontwerpers, groenprofessionals en beheerders vervolgens samen bepalen welk assortiment daarbij hoort.
Daarmee verschuift automatisch de rol van de kweker. Van leverancier achter in de keten naar kennispartner vooraan.
Dat gebeurt gelukkig al. De Ruiter schuift steeds vaker aan voordat een project daadwerkelijk wordt gebouwd. In bouwteams kan worden nagedacht over groeiplaatsen, waterberging, soortkeuze en toekomstig beheer.
Maar nog altijd wordt groen regelmatig als laatste ingevuld. Woningen bijna klaar, openbare ruimte vrijwel ingericht en dan moet er “nog wat groen in”. Soms zelfs midden in een periode waarin planten onverstandig is.
Juist bij nieuwbouw kan dat desastreus uitpakken. Jarenlang rijden zware machines over de bodem. Vervolgens wordt een klein plantgat gemaakt en verwacht men dat daar tientallen jaren een vitale boom groeit.
“Je kunt de groeiplaats eigenlijk maar één keer echt goed maken”, zegt De Ruiter. “En dat is voordat die boom erin staat.”
Ook tussen aanleg en beheer zit nog te vaak een harde knip. De ene partij plant, een andere partij krijgt later het onderhoud. Niemand voelt zich volledig eigenaar van het eindresultaat.
Vroeg samenwerken voorkomt veel van die problemen. De kweker weet wat beschikbaar is en wat een soort vraagt. De bodemexpert weet wat ondergronds nodig is. De ontwerper kent het gewenste beeld. De beheerder weet wat over tien of twintig jaar praktisch uitvoerbaar blijft. Die kennis moet vóór het planten samenkomen.
Wie klimaatoplossingen verkoopt, krijgt vanzelf vragen over zijn eigen voetafdruk.
Ook daar verandert veel. Bij Overbeek Bomen wordt volgens De Ruiter gekeken naar elektrificatie, vermindering van dieselgebruik, slimmer waterbeheer en terughoudender gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Preventief spuiten maakt steeds vaker plaats voor monitoring en gericht ingrijpen. Bloemenmengsels, nestkasten en andere natuurlijke maatregelen helpen daarbij.
Bij Herplant koos Hermans al jaren geleden een andere route: veredeling. Problemen met ziekten in Buxus vormden aanleiding om gericht te zoeken naar resistente rassen. “Wij willen als kweker niet iedere week gaan spuiten. De consument wil dat uiteindelijk ook niet.”
Van der Veen ziet vanuit DCM kansen in de bodem en voeding. Minder eenzijdig sturen op snelle groei, meer aandacht voor organische voeding, bodemleven, biostimulanten en een compacte, weerbare plant.
De markt verlangt een vrijwel perfecte plant, terwijl dezelfde markt ook vraagt om een duurzamere teelt met minder middelengebruik. De uitdaging ligt erin om die hoge kwaliteit te blijven garanderen, maar de weg ernaartoe anders aan te pakken. Niet langer vooral bijsturen wanneer problemen zich voordoen, maar van bij de start investeren in een gezonde bodem, evenwichtige plantenvoeding en optimale groeiomstandigheden. Zo komt de focus steeds meer te liggen op het versterken van de natuurlijke weerbaarheid van de plant.
De vraag is dus niet of duurzaamheid en kwaliteit samengaan, maar hoe we de omslag maken van een reactieve naar een meer preventieve teeltaanpak, waarin de weerbaarheid van de plant centraal staat.
Tegen het einde van het gesprek verschuift de blik naar 2040. Wat verkoopt de succesvolle kweker dan?
De Ruiter hoeft niet lang na te denken. “Een totaalconcept. Advies, nazorg en de juiste soortkeuze.”
Het verdienmodel verandert daarmee mee. Goede kwekers verkopen straks niet alleen stammen, kluiten of aantallen. Ze verkopen kennis: over bodem, genetica, groeiplaatsen, water, biodiversiteit, ziekten, beheer en klimaat.
En precies die kennis wordt schaarser. Veel ervaring zit nu bij een generatie vakmensen die al tientallen jaren in het groen werkt. De volgende generatie moet die kennis overnemen én aanvullen met nieuwe inzichten uit wetenschap en techniek.
Daar ligt volgens de vier misschien wel de grootste opdracht. Niet zoeken naar dé wonderboom die alle klimaatproblemen oplost. Wel kennis verbinden.
Of, zoals Hermans het aan het einde kernachtig verwoordt wanneer het gesprek over de toekomst gaat: “Ik hoop vooral dat die groen is. Niet grijs.”