Bij een ruimtelijk plan vragen we bewoners, gebruikers, opdrachtgevers en deskundigen om mee te denken. Maar wie spreekt er namens de populier, de vleermuis, de nachtvlinder, de bodem of het water? Zij zitten niet aan tafel, terwijl hun bestaan wederkerig aan dat van ons verbonden is.
In de architectuur is de mens nog altijd het vanzelfsprekende middelpunt. Een paar bomen op een balkon en klimplanten tegen een gevel veranderen daar weinig aan. Zet ze op een aantrekkelijke render en een gebouw heet al snel duurzaam of natuurinclusief. Maar groen mag geen alibi worden om verder niet meer na te denken.
Duurzaamheid is een begrip dat bijna iedereen in ons vak gebruikt. We praten over energieprestaties, circulariteit en groene gevels. Allemaal relevant. Maar de wezenlijkste vraag slaan we opvallend vaak over: moeten we hier eigenlijk wel bouwen en hoe bouwen we voort op het bestaande?
Een bouwlocatie is nooit leeg. Er is bodem, schaduw, water, begroeiing en dierenleven. Er zijn materialen, herinneringen en bestaande sociale verbanden. Toch behandelen we een plangebied nog vaak als een blanco vel waarop de ontwerper iets nieuws mag tekenen.
Daarom brengen wij in ontwerp- en participatietrajecten bewust het niet-menselijke perspectief in. Dat betekent niet dat we doen alsof een vleermuis of boom letterlijk kan meepraten. We proberen mensen tijdelijk vanuit zo’n ander perspectief naar een plek te laten kijken. Wat betekent een besluit voor de soorten die hier leven? Welke ruimte, rust of omstandigheden hebben zij nodig? En verandert die kennis de keuze die we op het punt stonden te maken?
Wij zijn geen ecologen en willen ook niet doen alsof. Daarom werken we samen met ecologen en organisaties die de aanwezige soorten en systemen kennen. Wie niet weet dat een teunisbloem ’s avonds opengaat voor nachtvlinders, kan nog steeds een mooie tuin tekenen. Maar of daarmee ook een levend ecosysteem ontstaat, is een andere vraag. Natuurinclusief ontwerpen begint bij kennis, goed kijken en luisteren.
Voor ons moet ecologie daarom invloed hebben op de hoofdkeuzes van een project. Soms leidt dat tot nieuwbouw. Soms tot hergebruik, optoppen, anders organiseren of simpelweg minder doen. Zelfs transformeren is niet automatisch de beste oplossing wanneer daarbij meer verloren gaat dan behouden blijft.
Als we wel bouwen, moeten materiaal, techniek en esthetiek met elkaar in balans zijn. Circulair en biobased bouwen hoeft niet in een rommelige, alternatieve hoek te blijven hangen. Voor het tijdelijke Kindermuseum in Den Bosch werken we bijvoorbeeld met kunstzuilen van gestampte aarde. Niet omdat dat romantisch of ‘lekker duurzaam’ oogt, maar omdat de eigenschappen van het materiaal passen bij het tijdelijke karakter van de plek en omdat we deze oude bouwmethode weer opnieuw willen introduceren en testen.
Echte duurzaamheid vraagt bovendien dat we verder kijken dan het bouwperceel en de generatie die nu aan tafel zit. Gebouwen, materiaalwinning en CO2-uitstoot raken ook mensen en andere levensvormen die geen stem hebben in het huidige besluit.
Misschien begint werkelijke vernieuwing daarom bij het stellen van lastigere vragen. Wat kan blijven? Wat hoeven we niet te bouwen? Wie of wat ontbreekt aan tafel? En welke prijs betaalt een landschap elders voor onze materiaalkeuze?
Een groene render is snel gemaakt. Een werkelijk groene toekomst begint met leren kijken door andere ogen.