Het is de eerste lentedag van het jaar. Het soort dag waarop het licht anders valt, alsof het landschap zelf even opgelucht ademhaalt na een lange winter. Boven op de Wageningse Berg ligt Belmonte Arboretum er prachtig bij. Aan de rand van het terrein valt het land langzaam weg richting de Nederrijn. Beneden glinstert het water; aan de overkant ligt de Betuwe als een zachte horizon.
Hier, op deze plek waar duizenden bomen en struiken uit de hele wereld bijeen staan, loopt Simen Brunia: volgens zijn e-mailhandtekening European Tree Technician en Certified Veteran Tree Specialist. Maar zelf noemt hij zich tegenwoordig liever kennisdeler. Hij loopt rustig, kijkt veel omhoog en praat in zinnen die vaak beginnen met een observatie. Eerst zien. Dan pas interpreteren. “Ik ben in mijn werkzame leven eigenlijk altijd boomspecialist geweest,” zegt hij terwijl we over een licht slingerend pad het arboretum inlopen. “Onderzoeker, adviseur, boomspecialist. Maar de laatste zes jaar noem ik mezelf kennisdeler. Omdat ik merkte dat juist dat delen van kennis misschien wel het belangrijkste onderdeel van het werk is en ik merk dat het me geen energie kost, maar heel veel energie geeft.” Sinds begin 2025 werkt Brunia als curator van Belmonte Arboretum in Wageningen. Dat klinkt als een academische functie, maar de praktijk blijkt een stuk aardser. “Toen ik hier begon,” vertelt hij, “kreeg ik eigenlijk een vrij simpele uitleg. Er is budget voor één dag per week een directeur. Eén dag per week een curator. Eén dag per week een collectiebeheerder. De tuinbaas werkt vier dagen. En alles wat daarbuiten valt, dat is eigenlijk gewoon samenwerken en organiseren.” Belmonte draait namelijk voor een groot deel op vrijwilligers. En dat zijn er veel. “Zelfs op een druilerige ochtend staan hier dertig of veertig mensen,” zegt Brunia terwijl we een groep zien werken tussen de rododendrons. “Dat is echt bijzonder. Er is een team voor de rozen, een team voor de rododendrons, iemand die zich met de mollen bezighoudt, mensen die met de trekker werken. Er is altijd beweging.” Het arboretum voelt daardoor minder als een park en meer als een kleine gemeenschap. “Er zit hier continu energie in,” zegt hij. “Dat maakt het ook zo’n fijne plek om te werken.”

De weg naar Belmonte liep voor Brunia via jarenlang werk in de boomsector. De curator studeerde Tuin- en Landschapsinrichting aan Larenstein en werkte daarna onder meer bij Copijn en Bomenwacht Nederland. “In het begin is het werk heel technisch,” zegt hij. “Inspecties, rapporten, risicobeoordelingen. Dat hoort er natuurlijk bij. Maar ik merkte gaandeweg dat ik het leuker vond om juist die uitzonderingen te onderzoeken. Die rare dingen die je niet meteen kunt verklaren.” Dat leidde uiteindelijk tot een andere richting. “Het werk werd steeds meer bulk,” zegt hij. “Meer data, meer systemen, meer standaardisering. Terwijl bomen eigenlijk altijd individuen zijn. En juist dat individuele verhaal vond ik interessant.” In januari 2020 begon hij daarom voor zichzelf. “Dat was precies toen corona begon,” zegt hij lachend. “Iedereen zei: slechte timing. Maar ik dacht eigenlijk het tegenovergestelde. Eindelijk tijd om dingen rustig op te bouwen.” Een van zijn eerste opdrachten was het vervangingsprogramma bomen in Amsterdam. Voor elke boom die gekapt of omgeval len was tijdens een storm, moest ik op de cultivar nauwkeuring bepalen welke boom er terug zou komen. Wel of niet herplanten? Omvormen naar een andere soort of juist precies dezelfde terugplanten? Op dezelfde plek of op een net iets betere plek? “Ik fietste maandenlang door de stad. Dat was fantastisch. Gewoon kijken naar bomen. Zien hoe ze groeien, hoe ze reageren op hun omgeving. Dat zijn momenten waarop je echt leert.”

We stoppen bij een oude beuk. Aan de stam zit een houtzwam. “Die wordt vaak meteen gezien als een probleem,” zegt Brunia. “Maar ik noem dat een boomgast.” Hij kijkt even naar de zwam voordat hij verder praat. “Als ik bij jou thuis kom, dan ben ik ook een gast. Sommige gasten hou je liever buiten. Sommigen mogen even binnenkomen, sommigen blijven te lang zitten op de bank. En sommige kunnen eigenlijk niet lang genoeg blijven.” Het is een vergelijking die hij vaker gebruikt, omdat hij precies laat zien waar het volgens hem om draait: eerst begrijpen wat er gebeurt. “Houtzwammen worden vaak gezien als parasitair, gevaarlijk, agressief,” zegt hij. “Maar in werkelijkheid zijn ze vaak gewoon onderdeel van het ecosysteem rond die boom.” De reflex om meteen in te grijpen zit diep. “We hebben de neiging om te bestrijden. Gif erop. Snoeien. Opruimen. Maar soms is dat helemaal niet nodig. Soms moet je eerst kijken wat er eigenlijk gebeurt. Dan besef je dat de meeste bomen hier al langer zijn dan wijzelf.”
Tijdens de wandeling komt het gesprek onvermijdelijk op veiligheid. Het is misschien wel het onderwerp waar boombeheerders het vaakst mee te maken krijgen. Gemeenten, verzekeraars en bewoners kijken in eerste instantie naar risico. Kan er een tak vallen? Kan een boom omwaaien? Kan er iets gebeuren? Brunia begrijpt die zorg. “Natuurlijk moet je veiligheid serieus nemen,” zegt hij. “Een boom die echt gevaarlijk is, daar moet je iets mee. Daar is helemaal geen discussie over.” Maar volgens hem zit het spanningsveld juist in alles wat daar tussenin zit. “Heel vaak gaat het niet om duidelijk gevaar, maar om onzekerheid. En onzekerheid wordt al snel vertaald naar risico.” Hij wijst naar een grote oude boom langs het pad.

“Als je naar zo’n boom kijkt, zie je misschien dood hout, een scheur, een zwam. Dan is de reflex: dat moet weg. Want stel dat er iets gebeurt.” Maar volgens Brunia is dat precies het moment waarop kennis nodig is. “Je moet begrijpen wat je ziet. Niet iedere scheur betekent dat een boom gaat omvallen. Niet iedere zwam betekent dat een boom zijn stabiliteit verliest.” Daarom pleit hij voor een zorgvuldiger afweging. “Het probleem is dat verwijderen altijd de veiligste beslissing lijkt. Want als de boom weg is, kan hij ook niet meer omvallen.” Hij haalt zijn schouders op. “Maar dan verlies je wel iets dat misschien nog tientallen jaren had kunnen blijven staan en soms ook al vele tientallen jaren gestaan heeft. En met zo’n boom verdwijnt ook een heel ecosysteem eromheen.”
Volgens Brunia draait boombeheer daarom vaak om het zoeken naar balans. “Je moet risico’s serieus nemen, maar je moet ook begrijpen dat absolute veiligheid niet bestaat. Bomen zijn levende organismen. Daar hoort een zekere mate van onzekerheid bij.” Hij kijkt naar de kroon boven ons. “De kunst is om dat spanningsveld te begrijpen en daar verantwoord mee om te gaan.”
Bij een grote tamme kastanje blijft hij staan. De kroon oogt asymmetrisch: links zwaar, rechts nog jong. “De klassieke reactie is om dat te corrigeren,” zegt hij. “Snoeien, balans maken, veiligstellen.” Hij kijkt omhoog naar de jonge takken. “Maar als je hier over vijfentwintig jaar weer staat, is die rechterkant gewoon net zo zwaar.” Geduld is volgens hem een onderschatte beheerstrategie. “Het is misschien minder sexy,” zegt hij, “maar voor de boom is het vaak precies wat nodig is.”
Onder een grote oude boom staat een bankje. Het is een van de populairste plekken van het arboretum. “Hier vallen regelmatig takken,” zegt Brunia. “Soms kleine, soms iets grotere.” De standaardoplossing zou zijn om de boom regelmatig te snoeien. “Maar daar heb ik helemaal geen budget voor,” zegt hij. In plaats daarvan denkt hij andersom. “Misschien moet het bankje gewoon ergens anders staan.” Hij kijkt naar een plek een paar meter verderop. “Waarom zouden we de boom aanpassen aan de mens, als we ook de mens een klein beetje kunnen verplaatsen?” Het klinkt eenvoudig, maar het verandert de manier waarop beheer wordt benaderd.
Even verderop hangen takken zo laag dat ze bijna de grond raken. “Op veel plekken worden die meteen weggehaald,” zegt Brunia. “Omdat de grasmaaier er niet onderdoor kan.” Hier laat hij ze staan. “Als zo’n tak de grond raakt, kan hij opnieuw wortelen. Dan verjongt die boom zichzelf.” Hij glimlacht. “Dan krijg je van die bijna freaky bomen. Maar dat is juist interessant.” Voor sommige bezoekers en vrijwilligers is dat wennen. “We zijn gewend dat bomen netjes moeten zijn. Maar bomen zijn eigenlijk helemaal niet netjes.”
Een van Brunia’s belangrijkste specialisaties is het werken met veteraanbomen. “Dat betekent niet per se dat een boom heel oud is,” legt hij uit. “Het betekent dat hij oud is voor zijn soort.” Een wilg kan op tachtig jaar al een veteraan zijn. Een beuk pas veel later. Een zomereik misschien pas na honderden jaren. “In Nederland denken we vaak dat we weinig veteraanbomen hebben,” zegt hij. “Maar ga maar eens met een kano door de Biesbosch. Daar staan duizenden oude wilgen. Hol, rot, vol dood hout. Dat zijn gewoon veteranen.”
Wat vaak als defect wordt gezien, hoort juist bij die levensfase. “Holtes, zwammen, dood hout; dat zijn geen fouten. Dat zijn fases.” Hij wijst naar een beuk met een grote wond die al decennia langzaam wordt overgroeid. “Moet je eens kijken wat een groeikracht zo’n boom nog heeft,” zegt hij. “Dat vind ik geweldig om te zien.”
In het rozenvak van het Arboretum, met wel honderden variëteiten van over de hele wereld, komt het gesprek op herkomst. “De discussie over inheems en uitheems is vaak simplistisch,” zegt Brunia. Hij verwijst naar een gesprek dat hij ooit had met een bekende tuinontwerper. “Die zei: groen is groen. En daar zit wel wat in.” Volgens Brunia gaat het uiteindelijk om functioneren. “Als onze beuk het hier moeilijk krijgt door klimaatverandering, hoef je niet meteen naar Japan of Chili te kijken. Misschien moet je gewoon naar een beuk uit Midden‑Frankrijk kijken.” Het ecosysteem blijft vergelijkbaar, maar de genetische aanpassing is net iets anders. “Je versnelt eigenlijk alleen maar een proces dat toch al gaande is, onder andere door klimaatverandering. De natuur beweegt zich noordwaarts. Inheems of uitheems is een non-discussie dus. Alles is al miljoenen jaren in beweging.”
Voor ons staan honderden verschillende rozenvariëteiten, van wilde soorten tot gecultiveerde vormen. “Hier zie je eigenlijk heel mooi hoe ingewikkeld die discussie soms wordt,” zegt hij. “Want zodra je zoveel variatie bij elkaar zet, gaan insecten, pollen en genetica zich vanzelf mengen.” Volgens Brunia wordt biodiversiteit vaak te zwart-wit benaderd, alsof alleen volledig ‘zuiver’ inheems waardevol zou zijn. “Maar de natuur werkt helemaal niet zo strak binnen onze categorieën.” Hij wijst naar de rozenvakken waar bijen onafgebroken tussen de bloemen bewegen. “Die bij trekt zich niets aan van provinciegrenzen of etiketten. Die vliegt gewoon van de ene roos naar de andere.” Daardoor ontstaan vanzelf nieuwe kruisbestuivingen en genetische mengvormen. “Op het moment dat je hier zaad verzamelt van een zogenaamde inheemse roos, dan is die genetisch eigenlijk allang beïnvloed door andere varianten in de buurt.
Naast zijn werk in het veld bouwde Brunia de afgelopen jaren aan een kennisplatform: Bomenbieb. “Vijftien jaar geleden was er eigenlijk bijna geen betrouwbare online informatie over bomen,” zegt hij. “Dus dachten we: dan maken we het zelf.”
Wat begon als een klein initiatief groeide uit tot een omvangrijke database met boomsoorten en boomgasten. “We hebben nu bijna 500 boomsoorten en cultivars beschreven en over een tijdje ongeveer evenveel boomgasten.” Soms blijkt het platform invloedrijker dan verwacht. “Laatst kreeg ik een bericht dat Bomenbieb werd geciteerd in een wetenschappelijk artikel,” zegt hij. “Toen dacht ik: ‘oh, blijkbaar wordt het in alle kringen goed gebruikt’.”
Aan het einde van de wandeling staan we opnieuw op de rand van het arboretum. Beneden stroomt de Nederrijn rustig voorbij. Brunia kijkt nog één keer omhoog naar de kroon van een oude boom. “Het belangrijkste wat we misschien moeten leren,” zegt hij, “is langer kijken.” Niet alleen naar wat er mis kan gaan, maar naar wat een boom nog kan worden. “Het laten zien wat de potentie van bomen is,” zegt hij, “dat is eigenlijk een van mijn grootste missies.”