Ecologisch aangelegde en beheerde groenvoorzieningen brengen natuur in de stad, maar de stad is geen natuurlijke omgeving, legt stadsecoloog Arjan van der Veen uit. “Een stad verschilt van zijn omgeving in bodem, klimaat en waterhuishouding. Daarom horen er andere planten in thuis.”
Voor Arjan van der Veen, stadsecoloog bij de gemeente Lelystad, is een stad ‘een kunstmatige rots in laagland’. “Steden lijken op een steil rotsgebied, met oprijzende formaties van steen en daartussenin dalen met groen en water”, licht hij toe. “Omdat er van nature geen rotsgebieden voorkomen in onze delta, is dat voor ons een volledig kunstmatig landschap. Het besef dat een stad geen natuurlijke omgeving is, bepaalt de visie op welke beplanting in een stad thuishoort.”
“Bodem, klimaat, waterhuishouding: dat is in een stad allemaal anders dan in het omringende gebied”, vervolgt hij. “Als we kijken naar de bodem: die is in steden veel kalkrijker, doordat kalk uit het beton en specie van de gebouwen met de regen mee de bodem in spoelt. Dat maakt dat andere planten het er goed doen. In een stad kan je dus heel goed voor exoten kiezen: soorten die je bijvoorbeeld elders uit berggebied haalt, soorten die tegen het klimaat in een stad kunnen.”

Van der Veen maakt verschil tussen stad en omgeving. “In een stad kan de keus voor exoten heel goed zijn, eventueel gecombineerd met inheemse soorten. Buiten de stad is de keus voor inheems materiaal beter, aansluitend bij wat er van nature thuishoort. Hoewel we daarbij niet moeten vergeten dat de klimaatverandering snel gaat, en in Nederland nog sneller. Bij het nieuwe klimaat passen waarschijnlijk de soorten beter die zo’n duizend kilometer zuidelijker voorkomen.” Is het voor de insectenpopulatie niet beter om inheems te kiezen? Van der Veen: “Je kunt niet zonder meer stellen dat exoten niet nuttig zijn voor insecten. Een Duits onderzoek naar de effecten van verschillende soorten vaste planten op wilde bijen toonde bijvoorbeeld aan dat een duifkruid uit Macedonië, dat hier veel aangeplant is als sierplant, waarde had voor een bepaalde bijensoort. Niet elke soort is heel specifiek in zijn voorkeuren.”
Als het gaat over hoe je het groen in de stad ecologisch kunt inrichten, wijst Van der Veen op het belang van gevarieerde plantvakken. “Maak vegetaties door soorten te combineren in één plantvak, door bijvoorbeeld kleine maagdenpalm te planten onder heesters. Een gesloten en gelaagd vak is aantrekkelijk om te zien, er is minder kans op ziektes en plagen, het beheer is veel minder intensief want je hoeft niet te schoffelen, én er profiteren meer soorten van. Ook verschillende soorten zoogdieren zoals de egel en de bunzing vinden vegetaties in plantvakken aantrekkelijk. De bunzing houdt dan weer de muizen- en rattenpopulaties in bedwang.” Dat het groen anders oogt en anders onderhouden moet worden, is vaak nog wennen voor groenprofessionals en bewoners. “Bermen langs wegen en voetpaden maaien we niet meer kort. Maar we maaien nog wel de eerste meter langs de weg: dan krijg je veel minder klachten van bewoners. Het daar kort houden is sowieso handig, want met te hoge groei tot aan de rand lijkt de weg smaller en is er bij langslopen risico op teken.”

Een ecologische benadering van stedelijk groen vraagt ook om iets anders: het besef dat de stad onderdeel is van een groter geheel. “Vleermuizen en vogels hebben vaste trekroutes. Ruige dwergvleermuizen bijvoorbeeld gebruiken de dijk Enkhuizen-Lelystad om het IJsselmeer over te steken. Kleine zangvogels oriënteren zich op de IJsselmeerdijk op hun route van Scandinavië naar het zuiden en terug. Daar moet bij de plaatsing van windmolens en bij grote bouwprojecten rekening mee gehouden worden. Er waren plannen voor een gebouw met grote raampartijen hier haaks op de dijk. Als dat neergezet zou zijn, had er wel iets bedacht moeten worden om te voorkomen dat vogels zich tijdens de seizoenstrek doodvliegen tegen de ramen. Gelukkig ging het hele project niet door. Die trekroutes heb ik hier in de Omgevingsvisie laten opnemen. Daarmee zijn we wellicht de eerste gemeente in Nederland met dit in zijn Omgevingsvisie.
Als je daar eenmaal over nadenkt, kan je verder gaan: je kunt de routes versterken met struweel.” Kortom, zegt Van der Veen: “De stad is geen natuurlijke omgeving, maar speelt wel een rol in de omringende natuur. Wees je bewust van waar je aan grenst en onderdeel van bent.”